Ria Nobel

Als je het hebt over kunst dóór Gouwenaars vóór Gouwenaars, is de kaasboerin van Ria Nobel een prachtig voorbeeld. Beschilderd met de patronen van de Goudse plateelfabrieken Regina, Zuid Holland, Ivora, Zenith en Goedewaagen, is het ontwerp een ode aan het bijna vergeten ambacht van de plateelschilders. Het aangebrachte patroon Corona – een ontwerp uit ca. 1917 -  klinkt wel heel actueel…

De vader van Ria Nobel was portier bij Plateelbakkerij Zuid Holland en als kind ging zij al mee om de fabriek af te sluiten. In 1965 begon Ria als jonge leerlinge bij kunstaardewerkfabriek Regina op de Oosthaven.  Op de begane grond van de fabriek stond een grote bak met vloeibare, bubbelende klei die via een slang in de mallen werd gegoten en gebakken. Daarna werden de gietrandjes weggewerkt met een spons en ging het zogenoemde biscuit aardewerk in de ‘schilderslift’  naar de eerste etage. Daar schilderden de plateelschilders, de mannen zaten links en de vrouwen rechts, de patronen op het biscuit. De patronen werden aangebracht met behulp van een ponsief; een stuk overtrekpapier waarin het motief met kleine gaatjes is doorgeprikt. Door met een zakje met houtskoolpoeder over het ponsief te wrijven, werd de afbeelding in stippellijn aangebracht. Hierna werd de afbeelding ingeschilderd en eventuele foutjes werden weggekrast met een scheermesje. In het schildersatelier van Regina was de sfeer altijd fantastisch. Op de achtergrond klonken de hoorspelen uit de distributieradio en aan het einde van de dag werd er gezongen en muziek gemaakt met een kammetje en een vloeipapiertje. 

De schilders werkten via het zogenaamde Bedaux systeem: voor een basisloon moest je 80 punten halen.  Blakers bijvoorbeeld met modelnummer 87 (kaarshouders met platte voet en één handvat) leverden 40 punten op en waren daarom bij Ria favoriet omdat je ze zonder ponsief, dus snel, uit de hand kon schilderen.

De Goudse plateelfabrieken sloten een voor een hun deuren, echter aardewerkfabriek Regina pas in 1979. Ria maakte de overstap naar het Delftsche Huys in Waddinxveen waar zij 225 Heineken bierpullen per dag beschilderde met ‘likjes’ en ‘fileetjes’ (respectievelijk verfstreken op het handvat van de pul en dunne lijntjes onder het ontwerp) en waar zij de aardewerken bierpompen beschilderde voor aan de toog.

Het Gouds plateel vindt zijn oorsprong in de jugendstil- en art-nouveaukeramiek van rond 1900. In de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw was de plateelindustrie in Gouda een van de belangrijkste bedrijfstakken met veel werkgelegenheid. Elke plateelfabriek schilderde met eigen verfkleuren die volgens geheim recept gemaakt werden. Al is de uiteindelijke kleur ook afhankelijk van de hitte van de oven en de plek waar het stuk in de oven staat. Vanwege de vrijkomende gifstoffen worden deze verven niet meer gemaakt. 

In verband met de huidige uurlonen is nieuw vaak duurder dan antiek plateel. Momenteel bestaan er nog enkele fabrieken in Nederland waar plateel gemaakt wordt. Daar wordt het handwerk meestal gecombineerd met transfers (zeefdruk). Daarnaast zijn nog enkele zelfstandige plateelschilders werkzaam. Meestal schilderen zij Delfts blauw, want er is geen vraag meer naar Gouds plateel met de oude motieven. 

Tegenwoordig beschildert Ria met acrylverf ganzeneieren en kerstballen met de motieven van het Gouds Plateel die haar zo aan het hart liggen, zoals Rosario, Sevilla, Cyprus, Corona, Uni en Damascus. Patronen die verder alleen nog te vinden zijn in het stadsarchief van Gouda.

Onlangs kwam zij op een verzamelbeurs een bonbonnière tegen die zij zelf geschilderd had. “Uit de jaren twintig” zei de verkoper. “Potverdorie” zei Joop, de man van Ria. “Dan ben je veel ouder dan je mij altijd verteld hebt.”

 

"Met het beschilderen van dit beeld houd ik de herinnering aan verdwenen patronen en Goudse plateelfabrieken levend."

ria_nobel.jpg